De fnuikende symbiose van schijnbare tegenpolen

Milieuclubs en multinationals trekken steeds vaker samen op in hun lobby voor ‘groen beleid’. Een speltheorie verklaart het wederzijds voordeel.

Toen Donald Trump aankondigde uit het Parijse klimaat-akkoord te stappen, kraakte een koor van milieu-activisten dit besluit van de Amerikaanse president. Dat was niet verrassend. Wel opmerkelijk was dat juist oliebedrijven als Exxon Mobil en ConocoPhillips zich voegden bij het anti-Trump-koor van non-gouvernementele organisaties en milieu-activisten.

Die combinatie lijkt onwaarschijnlijk, maar komt bij milieubeleid vaker voor. Het is een klassiek voorbeeld van de Bootleggers and Baptists-speltheorie. Dat concludeert de Amerikaanse econoom Bruce Yandle voor de Foundation for Economic Education, in het artikel ‘Greens and Big Industry are the Baptists and Bootleggers of Climate Policy’.

Onwaarschijnlijke coalities rond milieuregels

Yandle ontwikkelde zijn speltheorie al in 1983, toen hij in dienst was van de Amerikaanse overheid. Hij verbaasde zich er toen over dat de onwaarschijnlijkste coalities konden ontstaan bij de lobby rond milieuregels. Mi­lieuclubs die op morele gronden actievoeren tegen oliebedrijven enerzijds en oliebedrijven en andere multinationals anderzijds, kunnen volgens Yandles theorie wederzijds voordeel halen uit samenwerking, ook als die niet één op één is.

Yandle verwijst naar de baptisten – protestantse stroming – die in de eerste decennia van de twintigste eeuw in Amerika met succes actie voerden tegen de verkoop van alcohol en de openstelling van cafés op zondag. Waarna de bootleggers – illegale stokers en drankhandelaren – konden profiteren van de uitschakeling van hun legale concurrenten. Desondanks konden de ‘vrome’ baptisten hun morele gelijk halen in de ogen van hun achterban.

Paradoxaal was dat het voor de bootleggers loonde om achter de schermen de lobby van de baptisten te steunen. Op dezelfde wijze profiteren multinationals tegenwoordig van activisten als Milieudefensie. Die laatste voert dezer dagen weer een campagne waarin ‘multinationals’ het moeten ontgelden. Die zouden niet geven om ‘mens en milieu’. Tegelijk zijn juist acht multinationals als Shell en Unilever verenigd in de Dutch Sustainable Growth Coalition (DSGC), de belangrijkste voorvechters van de ‘2030 Agenda’. Dat is de groene ontwikkelingsagenda van de Verenigde Naties (VN). Die is volgens DSGC ‘de leidraad voor het nationale duurzaamheidsbeleid van de komende vijftien jaar’.

Versnelde invoering VN-klimaatagenda

Onlangs vergaderden de CEO’s van tal van multinationals en banken in Davos tijdens het World Economic Forum over de versnelde invoering van die VN-agenda voor ‘het klimaat’. Die agenda is door een VN-commissie in september 2015 in New York vastgesteld. Dit zogeheten High Level Panel of Eminent Persons stond onder leiding van de Britse oud-premier David Cameron. Ook Paul Polman van Unilever was in die commissie zo’n eminent person.

In Nederland is Hugo von Meijenfeldt als coördinator Nationale Implementatie Global Goals op het ministerie van Buitenlandse Zaken uitvoerder van die ‘duurzame’ agenda, samen met werk­geversorganisatie VNO-NCW. Dat gebeurt uit naam van de klimaatafspraken in Parijs.

Multinationals dwingen via politieke lobby steeds meer lastenverzwarende regels af, die de concurrentie op achterstand zetten. Wereldwijd opererende ondernemingen kunnen de steeds hogere lasten van milieubeleid best pareren, voor het aan één land gebonden midden- en kleinbedrijf is dat veel moeilijker.

Gezworen vijanden Shell en Greenpeace sloten deal in Energieakkoord

De wetenschappelijkheid en winst voor de natuur van ‘natuurcompensatie’, staan onder ecologen ter discussie. Want, zo stelde de Australische ecoloog Martine Maron in janua­ri in het wetenschappelijke tijdschrijft Nature Sustainability: No Net Loss, zoals dit Europese beleid wordt genoemd, kan werkelijk alles betekenen. De waarde die ‘verlies van biodiversiteit’ inhoudt, leent zich voor misbruik. Er zijn geen objectieve maatstaven om het verlies in geld uit te drukken.
Maron stelt dat overheden natuurcompensatiepotjes vaak aanspreken om beleid te financieren dat toch al vastlag. Er komt zelden evenveel natuur bij van dezelfde kwaliteit als er verloren ging. ‘Het omrekenen van verlies van biodiversiteit koppelen aan winsten is nieuw,’ reageert Maron, die zegt ‘geen fan’ te zijn van het beprijzen van natuur. ‘En het is belangrijk dat je groenwassen en perverse uitkomsten vermijdt.’ Het Nationaal Groenfonds bijvoorbeeld betaalt nu ook al ‘groene’ projecten van geld dat overheden stortten in dat fonds als compensatie voor het vernielen van natuur. Uit het Waddenfonds werd op Ameland een industrieterrein met zonnepanelen gesubsidieerd.

Tien maal zo veel subsidie

Saillant detail: Milieudefensie kreeg in 2016 liefst 10 miljoen euro subsidie van het ministerie van Buitenlandse Zaken om voor de ‘2030 Agenda’ te ‘pleiten’ en deze te ‘beïnvloeden’. Dat is tienmaal zo veel geld als Milieudefensie jaarlijks van haar in tien jaar gehalveerde ledenbestand ontvangt.

Het motief van multinationals voor ‘groen’ is en blijft het tevreden houden van de aandeelhouders. Zo stelden Shell, DSM en Unilever in een brief aan formateur Edith Schippers op 28 maart 2017 dat er wereldwijd zo’n 10 biljoen euro aan inkomsten in het verschiet lag als gevolg van de ‘2030 Agenda’.

Dat zijn inkomsten die vrij­komen uit miljardensubsidies voor energieprojecten en andere ‘groene’ politiek, bijvoorbeeld wanneer de overheid een Klimaatwet invoert. Een wet waarvan Wijnand Duyvendak, oud-directeur van Milieudefensie, een van de architecten is.

Kamerheld van 2017

In het licht van de Bootleggers and Baptists-theorie is begrijpelijk waarom VNO-NCW GroenLinks-Kamerlid Liesbeth van Tongeren (oud-directeur van Greenpeace) huldigde als Kamerheld van 2017. Alle subsidies voor woningisolatie en zonnepanelen (de salderingsregeling bij kleinverbruikers) helpen de installatiesector. Dat stelt Doekle Terpstra als voorzitter van die branche, UNETO-VNI onomwonden.

Op dezelfde manier kon een coalitie van milieuclubs en Philips in Brussel het gloeilampverbod erdoor drukken. Philips behaalt meer winst met duurdere halogeenlampen, en Greenpeace scoorde moreel bij de achterban. En Shell kon met Greenpeace een deal forceren in het Energie­akkoord om voor 2030 kolencentrales te sluiten. Weer een energieconcurrent minder, terwijl Greenpeace met klimaatwinst kan pronken.

Onverwachte bondgenoten vinden elkaar ook bij de Amerikaanse variant van Natuurmonumenten, The Nature Conservancy. Die wordt nu geleid door een bankier van Goldman Sachs: Mark Tercek. Meer dan de helft van de commissarissen van The Nature Conservancy bestaat uit Wallstreet-jongens van hedgefondsen. Die promoten nu samen met de Rockefeller Foundation het concept ‘natural capital’.

Natuurlijk kapitaal is “ecokapitalisme”

Met behulp van het begrip ‘natuurlijk kapitaal’ wordt een prijs gekoppeld aan de ‘schade aan de natuur’ die overheden en bedrijven veroorzaken als ze bijvoorbeeld wegen aanleggen. Economen noemen die vorm van milieubeleid ‘ecokapitalisme’.

Dichtbevolkt Nederland gebruikt dergelijke natuuraflaten al sinds 1994 door middel van het Nationaal Groenfonds. Een overheid betaalt dan geld ter compensatie van wegenaanleg. Maar ook in de vorm van het Waddenfonds van 2006, waarvoor de NAM 800 miljoen euro betaalde ter compensatie van Waddengasboringen.

In Europees beleid heet die benadering No Net Loss (geen nettoverlies): waar je natuurwaarden aantast, moet je die elders financieel compenseren. Bankier van de Deutsche Bank, Pavan Sukhdev, berekende in zijn studie The Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB) uit 2009 dat verlies van biodiversiteit door de honderd grootste bedrijven 3 tot 10 biljoen euro schade per jaar zou veroorzaken.

En dat is de winst die de duurzaamheidsclubs ter compensatie verwachten. De schadeberekeningen voor ‘verlies van biodiversiteit’ in TEEB ogen als complexe financiële producten. Sukhdevs TEEB-concept is in 2016 niettemin door het Europees Parlement in een resolutie aangenomen als richtlijn voor Europees natuur­beleid tot 2030.

Morele urgentie

De door het ministerie van Buitenlandse Zaken met 10 miljoen euro per jaar gesponsorde International Union for Conservation of Nature (IUCN) is in Nederland sinds 2016 de promotor van ‘natuurlijk kapitaal’, met een commissie onder leiding van oud-Shell-directeur Rein Willems. De IUCN stelt in het jaarverslag 2015 dat ‘het uitsterven van diersoorten 1.000-10.000 maal sneller dan normaal’ verloopt. Zij verlenen daarmee de morele urgentie voor natuurkapitalisme.

En zo kunnen de natuurlijke kapitalisten als Boskalis in de Marker Wadden om verondersteld verlies van biodiversiteit te herstellen, hun aandeelhouders publiek gefinancierd plezieren. Een ‘Natuurlijk Kapitaal-icoonproject’, zo staan de Marker Wadden bekend, maar Elsevier Weekblad schreef in maart 2017 al dat het eigenlijk een ‘eilandengroep voor plaagdieren’ is – de Marker Wadden trekken vooral ganzen aan.

Natuurmonumenten kan met het project goede sier maken in de media en als dank voor 60 miljoen euro subsidie wordt gezwegen over de mogelijke aanleg van Lelystad Airport tussen de natuur­gebieden Oostvaardersplassen en De Wieden, beide met veel vogels, en over de plaatsing van windturbines in vogelgebied IJsselmeer.

Met die gecontroleerde oppositie van Natuurmonumenten is haar belangrijkste financier en misschien wel belangrijkste bootlegger – de Rijksoverheid – bijzonder blij. De Crisis- en Herstelwet uit 2010 ontslaat de overheid – en de lobby’s die haar sturen – van natuurregels waaraan elke andere partij wel moet voldoen. En tegelijk oogt haar imago dankzij alle steun van baptisten zo groen als gras.