Groene SDE+ projecten als financiële bleeders …

Zondag 6 december 2015

Een gastbijdrage van Gert-Jaap van Ulzen

Wie wat dieper rond kijkt in de wereld van de duurzame energie, komt soms tot verrassende conclusies. Eén van de belangrijkste subsidie instrumenten die de overheid gebruikt, is de zogenaamde SDE+ subsidie. Dat is een subsidie voor de exploitanten van hernieuwbare energie om het verschil tussen de marktprijs voor stroom – en de productiekosten daarvan – te overbruggen.

Die SDE+ subsidie wordt betaald op elke werkelijk geproduceerde groene kilowattuur en is gebonden aan een maximum. Bij een stijgende marktprijs voor stroom daalt de subsidie navenant. Maar bij een dalende marktprijs voor stroom, wordt dat verlies niet gecompenseerd met extra subsidie.

Het totaal wat Den Haag uitbetaalt aan subsidies op groene energie, wordt integraal omgeslagen over de energie rekening van huishoudens. Het verhogen van deze groene subsidies doet de Rijksbegroting dus geen pijn, maar u merkt het wel degelijk in de portemonnee. Een gemakkelijke manier om de geldkraan duurzaam open te zetten, er staat immers nooit een politiek gevoelige bezuiniging tegenover.

In de business plannen voor duurzame projecten, wordt steevast gerekend met een toekomstig stijgende elektriciteitsprijs. In de regel met circa 2% per jaar. Omdat bij een stijgende elektriciteitsprijs de opbrengst voor de verkochte stroom toeneemt – en de SDE+ subsidie dus navenant afneemt – is die stroom prijs van ondergeschikt belang bij het presenteren van de groene business cases.

Het omgekeerde geldt echter niet. Bij een dalende marktprijs voor stroom is Leiden in last. Immers de opbrengst voor de verkochte stroom neemt af, maar de SDE+ subsidie niet toe. Wie denkt dat de invloed van de stroomprijs slechts een centen kwestie is, heeft deels gelijk. Maar door een prijsdaling van slechts één cent per kilowattuur, nemen de opbrengsten van de meeste groene projecten af met een slordige 10%. Minder opbrengsten, die volledig gedekt moeten worden uit het geprognosticeerde rendement, wind- en zon zijn immers gratis. Aan de kostenkant valt niets te verdienen.

Nu hoor ik vrijwel alle duurzame ondernemers en politici roepen dat de stroomprijs alleen maar kan stijgen. Dat is slechts de halve waarheid. De kosten voor de consument zullen ontegenzeggelijk door het plafond gaan, de ODE (Opslag Duurzame Energie) is daarbij een belangrijke speler. Ook de energiebelasting doet daarbij grappig goed mee, de opbrengst daarvan kan Den Haag domweg niet missen.

Maar de marktprijs voor stroom – de opbrengsten van de groene stroom leveranciers – daalt alleen maar. Die daling vindt u jaar na jaar terug op uw energie rekening. Alleen weet onze overheid dat keurig te maskeren door de verhoging van de belastingcomponent. Sinds 2007 is de stroomprijs grofweg gehalveerd tot een slordige 2,7 cent per kWh in 2016 en die daling zet nog wel even door. Stroom wordt niet duurder, maar alleen maar goedkoper …

De wind molenaar zet dus extra overbodige stroom op het net en ziet logischerwijze de waarde daarvan dalen. Zijn business case gaat gestrekt, een prijsdaling was niet opgenomen in de risico analyse.

De oorzaak hiervan ligt in de voorrang die hernieuwbare energie op het net wettelijk heeft gekregen (Feed In). Niet de waarde van de geleverde stroom is doorslaggevend, maar de herkomst. De goedkoopst geproduceerde ‘grijze’ stroom mag pas als laatste het net op.

Wanneer het op een zondagavond hard waait – en de stroomvraag marginaal is – is het voor de groene producent zelfs lucratief om de afnemers te betalen. U ontvangt geld om de TV aan te zetten. De stroomprijs is negatief, maar door de SDE subsidie ontvangt onze wind molenaar tenminste nog iets.

Stroom heeft pas waarde wanneer de gebruiker het nodig heeft, niet omdat het aanbod er is. U wilt de lamp niet aanzetten omdat de zon schijnt of de koelkast omdat het waait. Aanbod gestuurde energie is zonder vraag daarnaar, de facto zonder economische waarde, letterlijk waardeloos.

Subsidie gedreven groene energie, is dan ook uiteindelijk economische zelfmoord voor de producenten daarvan. En dat verklaart dan ook waarom grote leveranciers zoals EON & RWE hun groene activiteiten onderbrengen in een ‘bad bank’. Na het aflopen van de subsidie beschikkingen, kunnen ze de groene projecten eenvoudig uitfaseren, zonder deze ten laste te brengen van het primaire proces.

Onze groene adepten staan daarbij te juichen, maar hebben geen enkele notie van het waarom of van de gevolgen daarvan. Hun oplossing zal bestaan uit het bedenken van extra subsidies na afloop van de SDE+ termijn. Onderwijl zullen juist een groot aantal met SDE+ gesubsidieerde projecten met oplopende verliezen geconfronteerd worden.

Dit artikel werd ook geplaatst op http://gertjaap.van-ulzen.nl/blog/?p=1476