Op 10 april publiceerde de TU Delft op haar website het document TU Delft Klimaatactie, waarin uiteengezet wordt waarom en hoe de universiteit veel van haar activiteiten in het teken stelt van – wat wij hier maar zullen noemen – het klimaatparadigma: het idee dat de moderne mens in aanmerkelijke mate verantwoordelijk is voor enig optredende klimaatverandering en dat dit verregaande prioriteit verleent aan tal van activiteiten boven en ten koste van andere activiteiten: voor de universiteit betreft dit ondermeer het ontwikkelen van CO2 reducerende technologieën ter ondersteuning van mitigatie en daarnaast adaptatie.

De Rekenmeesters van De Groene Rekenkamer beschouwen dit als een zeer belangrijk document omdat hier een rechtvaardiging wordt gegeven, een onderbouwing die expliciet is en die in essentie waar moet zijn, wil dit thema – tevens het thema van de Dies Natalis 2019 – op zijn plaats zijn als leidraad. Immers, de universiteiten verbonden zich in het verleden wel wel vaker aan thema’s van de Verenigde Naties, maar dat betrof altijd redelijk objectieve en evidente streefdoelen zoals adequate waterhuishouding en energievoorziening. Nu echter, berust een geheel programma op de vermeende afhankelijkheid van klimaat als zodanig van menselijke uitstoot van broeikasgassen.

Wij analyseren daarom stap voor stap de punten die in de betreffende brochure zijn verwoord en letten daarbij in het bijzonder op vaag en dubbelzinnig taalgebruik en ook halve waarheden die in de weg kunnen staan van waarheidsvinding. Het gaat om feitelijke onderbouwing en overeenkomst met observaties. Het gaat zeker om correlatie, maar vooral ook om causatie, met erkenning van onvolledigheid van kennis. De commentaarsectie willen we graag gebruiken om uw mening te polsen over de argumentatie. Onze eigen voorlopige commentaren hebben wij in de rechter kolom weergegeven, maar zullen wij aanpassen aan onze eigen voortgang van de analyse en de aangereikte inzichten, waarvoor bij voorbaat dank.

Aldus ontstaat een begin van een debat. Wij hopen dat deze vorm en inhoud in brede kring in goede aarde zullen vallen.

Klimaat actieplan TU Delft
Klimaat actieplan TU Delft

De punten uit het “klimaat-actieplan”

GRK Analyse

  1. De aarde warmt op. Er zijn talrijke metingen die dit aantonen, van weerstations over de hele wereld, van weerballonnen, van boeien in de oceaan en meer recentelijk van satellieten.
  2. In de afgelopen decennia is de uitstoot van broeikasgassen flink toegenomen, merendeels door het gebruik van fossiele brandstoffen.
  3. De waargenomen stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde sinds het pre-industriële tijdperk is overtuigend toe te schrijven aan de toename van broeikasgassen. Andere verschijnselen, zoals veranderingen in zonnestraling of concentratie van stofdeeltjes in de atmosfeer, hebben een veel geringer effect. Geologische veranderingen of veranderingen van de baan van de aarde gaan te traag om als verklaring te dienen voor de huidige snelle temperatuurstijging.
  4. De opwarming blijkt ook uit andere signalen dan de toename van de temperatuur in de atmosfeer en de oceaan. De zeespiegel stijgt in toenemende mate, gletsjers krimpen en de hoeveelheid poolijs neemt snel af. Regionale neerslagpatronen veranderen en ook extreme weersomstandigheden, zoals hittegolven, komen steeds vaker voor.
  5. Teneinde de opwarming van de aarde terug te dringen moet de uitstoot van broeikasgassen worden verminderd. Naast CO2 (koolstofdioxide) gaat het daarbij om CH4 (methaan), N2O (distikstofmonoxide of lachgas) enfluorkoolwaterstoffen (hfk’s).
  1. Als we de opwarming tot maximaal 2°C willen beperken, moeten de wereldwijde CO2-emissies in de tweede helft van deze eeuw tot nul worden gereduceerd. Als we de emissies willen beperken tot een opwarming van 1,5 °C, moet dit halverwege de eeuw al zijn gebeurd.
  2. Om zinvolle uitspraken over de toekomst te kunnen doen, zijn klimaatmodellen nodig in combinatie met scenario’s voor ontwikkelingen in onder andere de wereldeconomie, bevolkingsgroei, technologie, politiek, levensstijl en levensstandaard.
  3. De huidige klimaatmodellen, zoals gepresenteerd door de IPCC, het VN-platform voor klimaatwetenschappers uit de hele wereld, kunnen de wereldwijd waargenomen temperatuurtrends reproduceren, en worden gebruikt als basis voor het klimaatbeleid.
  4. Naleving van de Klimaatovereenkomst van Parijs is een noodzakelijke maatregel om de samenleving te behoeden voor de schadelijke gevolgen van de opwarming van de aarde. De plannen zouden echter wel eens ontoereikend kunnen zijn om de opwarming te beperken tot 2 graden. Hoewel het mogelijk is de opwarming van de aarde tot veiliger niveaus terug te dringen via de Klimaatovereenkomst van Parijs en mogelijk aanvullend beleid, zullen we ons ook moeten voorbereiden op wereldwijde aanpassing aan de effecten van de klimaatverandering.
  5. De Klimaatovereenkomst van Parijs wijst ook op de noodzaak van negatieve emissies: de verwijdering van broeikasgassen uit de atmosfeer. Intensieve inspanningen op dit gebied zijn nodig, omdat bestaande technieken nog onvoldoende ontwikkeld zijn voor grootschalige toepassing en er ook nieuwe technieken moeten worden ontwikkeld.
  6. Als op enig moment in de toekomst de effecten van de klimaatverandering extreem uitpakken, moeten er nieuwe technieken beschikbaar komen die als ‘veiligheidsklep’ de aarde tijdelijk kunnen afkoelen. De hiervoor vereiste technieken moeten nog worden ontwikkeld. Ook zal een grondige afweging van risico’s, kosten en baten moeten worden gemaakt.
  • Wij concluderen dat zowel klimaatmitigatie (preventie van klimaatverandering door reductie van broeikasgasemissies) als klimaatadaptatie (aanpassing aan huidige en toekomstige veranderingen in het klimaat) absoluut noodzakelijk zijn om onze planeet op de lange duur leefbaar te houden. Dat geldt zeker ook voor Nederland. De transitie naar een duurzame en veerkrachtige samenleving is echter complex en brengt technische, maatschappelijke en ethische uitdagingen met zich mee.
  • Deze transitie vergt dat een breed scala van verschillende actoren en beleidsmakers hun huidige werkwijzen veranderen. Deze veranderingen werpen vragen op, bijvoorbeeld wat in een specifieke context, op een specifiek moment of op een specifieke plaats de beste technologische oplossing is. Over welke kosteneffectieve, praktische mogelijkheden beschikken we, en wat zijn de bijbehorende maatschappelijke en ethische opgaven? Wie heeft er voordeel van en wie niet, en hoe moeten we daarmee omgaan?
  • Hoe zorgen we ervoor dat de energietransitie eerlijk en inclusief is? Wat voor beleid is er nodig om de oplossingen duurzaam te maken? Het vereist een toekomstgerichte vorm van besturen en plannen, met het vermogen om structurele onzekerheden het hoofd te bieden, waarmee overheid en publiek weloverwogen keuzes kunnen maken tussen uiteenlopende technische, ecologische, economische, ethische en sociale consequenties. Het is de taak van de klimaatwetenschap om dit proces te ondersteunen en begeleiden door de samenleving te informeren met nieuwe kennis over de klimaatverandering.
  1. Inderdaad, dat klopt.
    Niet onvermeld mag blijven dat de stijging begon ruim vóórdat menselijke CO2 emissies een rol konden spelen.
  2. De CO2 concentratie stijgt inderdaad, en een verband met menselijke uitstoot wordt breed geaccepteerd, ofschoon er nog een aantal serieuze vragen over deze aanname onbeantwoord zijn.
  3. Er is geen enkel bewijs voor deze stelling. Dat men voor de recente opwarming geen andere verklaring kan verzinnen, wil niet zeggen dat een vrij willekeurige aanname als deze daarom waar is. Waarom warmde de aarde op in het eerste deel van de vorige eeuw? Waarom daalde de temperatuur in de Kleine IJstijd daarvoor tot een in duizenden jaren ongekend dieptepunt? Dat kan ook niet met de klimaatmodellen, door de CO2 concentratie of anderszins verklaard worden.
    Het is misschien aanlokkelijk om de stijgende CO2 concentratie in de tweede helft van de vorige eeuw te correleren aan de temperatuurstijging, maar dat is onwetenschappelijk. Temeer daar de sterke toename van de CO2 uitstoot na de oorlog juist gepaard ging met een opvallende 20 jaar temperatuurstabiliteit of zelfs -daling. Onze kennis van de werking van het klimaat staat nog ver af van een goed onderbouwde verklaring van de temperatuurschommelingen op de aarde.
  4. Het historisch verloop van enige van de hier genoemde ‘signalen’ (beter is indicatoren) is in overeenstemming met het feit dat er sprake is van mondiale opwarming als behandeld bij punt 1).
    Maar ondermeer de recente Deltares studie is in tegenspraak met de hier geclaimde versnelling van de zeespiegelstijging: die versnelling is niet terug te vinden in de Nederlandse metingen, en is ook niet af te leiden uit peilingen in de rest van de wereld.
    Verder liet het IPCC in het SREX rapport weten dat niet gesteld kan worden dat ‘extreem weer’ (bijvoorbeeld orkanen en droogtes) toeneemt. Op basis van elementaire fysica kan zelfs beredeneerd worden dat de drijvende kracht achter fenomenen als orkanen afneemt (het temperatuurverschil tussen polen en tropen).
    Tot slot zijn de IPCC-SREX uitspraken over toenemen van hittegolven uiterst genuanceerd: “… there is medium confidence that the length or number of warm spells or heat waves has increased”.
  5. Dit punt betreft een conclusie die vooralsnog niet aan de orde is zolang het wetenschappelijk debat over de hoofdzaken nog onbeslist is. Overigens zijn het voorkomen van methaan in de atmosfeer en de effecten daarvan op klimaat zo mogelijk nog minder begrepen dan die van CO2.
  1. Deze aannames vloeien voort uit de projecties van klimaatmodellen, waarvan aangetoond is dat de voorspellende waarde laag is.
    Wanneer niet de klimaatmodellen van het IPCC maar de waarnemingen uit de IPCC rapporten als uitgangspunt genomen worden, blijkt de opwarming zelfs nog onder de 2 graden te blijven als er pas vanaf 2080 CO2 gereduceerd gaat worden (Lewis & Curry). De door de TU gesuggereerde urgentie van de CO2 reductie heeft geen wetenschappelijke basis.
  2. Ieder model waarvan geclaimd wordt dat het van nut is, dient gevalideerd te zijn conform de ingenieursmethode. Een model dat onvoldoende overeenkomt met de waarnemingen kan dan ook niet als geldig beschouwd worden. Een dergelijke audit omvat fouten-propagatie-analyse en uitgebreide validatie ten aanzien van de uitkomsten op globaal en lokaal niveau, voor temperaturen in de hydrosfeer en in diverse lagen van de atmosfeer, wolkenbedekking en precipitatie.
    Vanaf het IPCC AR5 rapport zijn de projecties van de klimaatmodellen niet meer in lijn met de observaties. Van betrouwbare gekoppelde modellen en scenario’s kan tot het moment van validatie geen sprake zijn.
    Daarentegen dient het positieve effect van goedkope energie  op de levensstandaard erkend en gekwantificeerd te worden. Zodat duidelijk wordt wat de desastreuze invloed op de wereldeconomie zal zijn van onbezonnen beleid dat leidt tot hogere energieprijzen.
  3. Dit is onjuist: de huidige klimaatmodellen zijn niet in staat om het klimaat uit het verleden te reproduceren. Ze hebben ook dusdanig veel parameters dat er geen sprake is van unieke oplossingen. Bovendien is een beroep op compleetheid ten aanzien van de fysische mechanismes en factoren in deze modellen op zijn zachtst gezegd misleidend: ze zijn niet op exact berekende fysische processen in de atmosfeer gebaseerd, maar op benadering daarvan met behulp van subjectieve parametrisaties.
  4. Uit berekeningen van het PBL volgt dat alle beloofde CO2 reducties van het Parijs akkoord bij elkaar ca 35Gton aan CO2 reductie opleveren. Uit de carbon budget methode van het IPCC volgt dat voor de 2 graden doelstelling echter een reductie van 2000 tot 4000 Gton CO2 nodig is t.o.v. van het huidige beleid (van voor Parijs). De opmerking dat Parijs wel eens ontoereikend zou kunnen zijn is zeer misleidend: Parijs doet niet 1% van wat het IPCC noodzakelijk acht voor de 2 graden doelstelling.
    Dat leidt dus tot een veel sterkere conclusie van punt 4: tenzij een honderd maal grotere wereldwijde reductie dan die is voorgenomen in Parijs financieel, technisch en maatschappelijk aantoonbaar haalbaar is, moet de aandacht en de besteding van middelen verplaatst worden van mitigatie naar adaptatie.
    Er zit geen logica achter de conclusie dat beide noodzakelijk zijn.
    Dat de mensheid er goed aan doet om zich voor te voorbereiden op “wereldwijde aanpassing aan de effecten van de klimaatverandering” is even evident als triviaal. De moderne mens is er met name in geslaagd zich te wapenen tegen ongunstige klimaten door beheersing en benutten van praktisch bruikbare en betaalbare energie.
  5. De argumentering voor negatieve emissies is afhankelijk van de uitkomst van het wetenschappelijk debat over de effecten van CO2, derhalve geldt hetzelfde als voor punt 1-5.
    De bepleite verwijdering van broeikasgassen uit de atmosfeer  kost bovendien zeer veel geld en energie en is totdat het tegendeel is bewezen, nutteloos en eigenlijk zelfs ongewenst vanwege de bewezen positieve effecten van CO2 op organisch leven en onze voedselproductie.
  6. De opmerkingen over de ‘veiligheidsklep’ tonen dat er bij de opstellers van deze argumentatie gebrekkige  klimaatkennis aanwezig is: er bestaat niet één aanleiding om te veronderstellen dat het klimaat instabiel zou kunnen worden.
  • De absolute noodzaak om te mitigeren is in het voorgaande niet overtuigend onderbouwd en kan dus ook niet als conclusie gelden. Als er iets uit het voorgaande blijkt, dan is het wel dat de keuze voor adaptatie de enige no-regret aanpak is.
    Wij van de GRK concluderen dan ook dat de “leefbaarheid van de planeet” zoals altijd bepaald wordt door menselijk vernuft en aanpassingsvermogen, bekrachtigd door de beschikbaarheid van aanzienlijke hoeveelheden vraaggestuurde energie. De bewoording ‘duurzaam’ is dan ook misleidend zodra deze wordt losgekoppeld van een rationele discussie omtrent de gewenste inhoud en snelheid van een toekomstige energietransitie.
  • Hier wordt de energietransitie als premisse gehanteerd, terwijl in het voorgaande juist  duidelijk geworden is dat het Parijs-klimaatbeleid, dat op gebied van kosten en draagvlak waarschijnlijk al meer vergt dan haalbaar zal blijken te zijn, maar 1% van de reductie oplevert die volgens het IPCC voor 2 graden nodig is. Hieruit volgt dat het streven om in 30 jaar het gebruik van fossiele brandstoffen uit te bannen een utopie is, en dat het voortzetten van het beleid in die richting alleen maar negatieve gevolgen heeft voor de samenleving. In de academische benadering is geen plaats voor een dogmatische opstelling maar dient een pragmatische kosten/baten analyse bepalend te zijn voor de besluitvorming.
  • Bezorgdheid over de consequenties van het “klimaatbeleid” is zeer legitiem. Onze welvaart en welzijn zijn op dit moment zeer afhankelijk van goedkope en vrij beschikbare energie. De voorgenomen overhaaste nationale energietransitie in 30 jaar zal gegarandeerd zeer grote gevolgen hebben voor productiviteit, welvaart en welzijn in Nederland; de wereld doet er goed aan dit voorbeeld niet te volgen.
Klimaat actieplan TU Delft
  1. De aarde warmt op. Er zijn talrijke metingen die dit aantonen, van weerstations over de hele wereld, van weerballonnen, van boeien in de oceaan en meer recentelijk van satellieten.
  2. In de afgelopen decennia is de uitstoot van broeikasgassen flink toegenomen, merendeels door het gebruik van fossiele brandstoffen.
  3. De waargenomen stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde sinds het pre-industriële tijdperk is overtuigend toe te schrijven aan de toename van broeikasgassen. Andere verschijnselen, zoals veranderingen in zonnestraling of concentratie van stofdeeltjes in de atmosfeer, hebben een veel geringer effect. Geologische veranderingen of veranderingen van de baan van de aarde gaan te traag om als verklaring te dienen voor de huidige snelle temperatuurstijging.
  4. De opwarming blijkt ook uit andere signalen dan de toename van de temperatuur in de atmosfeer en de oceaan. De zeespiegel stijgt in toenemende mate, gletsjers krimpen en de hoeveelheid poolijs neemt snel af. Regionale neerslagpatronen veranderen en ook extreme weersomstandigheden, zoals hittegolven, komen steeds vaker voor.
  5. Teneinde de opwarming van de aarde terug te dringen moet de uitstoot van broeikasgassen worden verminderd. Naast CO2 (koolstofdioxide) gaat het daarbij om CH4 (methaan), N2O (distikstofmonoxide of lachgas) enfluorkoolwaterstoffen (hfk’s).
  1. Als we de opwarming tot maximaal 2°C willen beperken, moeten de wereldwijde CO2-emissies in de tweede helft van deze eeuw tot nul worden gereduceerd. Als we de emissies willen beperken tot een opwarming van 1,5 °C, moet dit halverwege de eeuw al zijn gebeurd.
  2. Om zinvolle uitspraken over de toekomst te kunnen doen, zijn klimaatmodellen nodig in combinatie met scenario’s voor ontwikkelingen in onder andere de wereldeconomie, bevolkingsgroei, technologie, politiek, levensstijl en levensstandaard.
  3. De huidige klimaatmodellen, zoals gepresenteerd door de IPCC, het VN-platform voor klimaatwetenschappers uit de hele wereld, kunnen de wereldwijd waargenomen temperatuurtrends reproduceren, en worden gebruikt als basis voor het klimaatbeleid.
  4. Naleving van de Klimaatovereenkomst van Parijs is een noodzakelijke maatregel om de samenleving te behoeden voor de schadelijke gevolgen van de opwarming van de aarde. De plannen zouden echter wel eens ontoereikend kunnen zijn om de opwarming te beperken tot 2 graden. Hoewel het mogelijk is de opwarming van de aarde tot veiliger niveaus terug te dringen via de Klimaatovereenkomst van Parijs en mogelijk aanvullend beleid, zullen we ons ook moeten voorbereiden op wereldwijde aanpassing aan de effecten van de klimaatverandering.
  5. De Klimaatovereenkomst van Parijs wijst ook op de noodzaak van negatieve emissies: de verwijdering van broeikasgassen uit de atmosfeer. Intensieve inspanningen op dit gebied zijn nodig, omdat bestaande technieken nog onvoldoende ontwikkeld zijn voor grootschalige toepassing en er ook nieuwe technieken moeten worden ontwikkeld.
  6. Als op enig moment in de toekomst de effecten van de klimaatverandering extreem uitpakken, moeten er nieuwe technieken beschikbaar komen die als ‘veiligheidsklep’ de aarde tijdelijk kunnen afkoelen. De hiervoor vereiste technieken moeten nog worden ontwikkeld. Ook zal een grondige afweging van risico’s, kosten en baten moeten worden gemaakt.
  • Wij concluderen dat zowel klimaatmitigatie (preventie van klimaatverandering door reductie van broeikasgasemissies) als klimaatadaptatie (aanpassing aan huidige en toekomstige veranderingen in het klimaat) absoluut noodzakelijk zijn om onze planeet op de lange duur leefbaar te houden. Dat geldt zeker ook voor Nederland. De transitie naar een duurzame en veerkrachtige samenleving is echter complex en brengt technische, maatschappelijke en ethische uitdagingen met zich mee.
  • Deze transitie vergt dat een breed scala van verschillende actoren en beleidsmakers hun huidige werkwijzen veranderen. Deze veranderingen werpen vragen op, bijvoorbeeld wat in een specifieke context, op een specifiek moment of op een specifieke plaats de beste technologische oplossing is. Over welke kosteneffectieve, praktische mogelijkheden beschikken we, en wat zijn de bijbehorende maatschappelijke en ethische opgaven? Wie heeft er voordeel van en wie niet, en hoe moeten we daarmee omgaan?
  • Hoe zorgen we ervoor dat de energietransitie eerlijk en inclusief is? Wat voor beleid is er nodig om de oplossingen duurzaam te maken? Het vereist een toekomstgerichte vorm van besturen en plannen, met het vermogen om structurele onzekerheden het hoofd te bieden, waarmee overheid en publiek weloverwogen keuzes kunnen maken tussen uiteenlopende technische, ecologische, economische, ethische en sociale consequenties. Het is de taak van de klimaatwetenschap om dit proces te ondersteunen en begeleiden door de samenleving te informeren met nieuwe kennis over de klimaatverandering.
Klimaat actieplan TU Delft
  1. De aarde warmt op. Inderdaad, dat klopt.
    Niet onvermeld mag blijven dat de stijging begon ruim vóórdat menselijke CO2 emissies een rol konden spelen.
  2. uitstoot… De CO2 concentratie stijgt inderdaad, en een verband met menselijke uitstoot wordt breed geaccepteerd, ofschoon er nog een aantal serieuze vragen over deze aanname onbeantwoord zijn.
  3. toe te schrijven… Er is geen enkel bewijs voor deze stelling. Dat men voor de recente opwarming geen andere verklaring kan verzinnen, wil niet zeggen dat een vrij willekeurige aanname als deze daarom waar is. Waarom warmde de aarde op in het eerste deel van de vorige eeuw? Waarom daalde de temperatuur in de Kleine IJstijd daarvoor tot een in duizenden jaren ongekend dieptepunt? Dat kan ook niet met de klimaatmodellen, door de CO2 concentratie of anderszins verklaard worden.
    Het is misschien aanlokkelijk om de stijgende CO2 concentratie in de tweede helft van de vorige eeuw te correleren aan de temperatuurstijging, maar dat is onwetenschappelijk. Temeer daar de sterke toename van de CO2 uitstoot na de oorlog juist gepaard ging met een opvallende 20 jaar temperatuurstabiliteit of zelfs -daling. Onze kennis van de werking van het klimaat staat nog ver af van een goed onderbouwde verklaring van de temperatuurschommelingen op de aarde.
  4. andere signalen… Het historisch verloop van enige van de hier genoemde ‘signalen’ (beter is indicatoren) is in overeenstemming met het feit dat er sprake is van mondiale opwarming als behandeld bij punt 1).
    Maar ondermeer de recente Deltares studie is in tegenspraak met de hier geclaimde versnelling van de zeespiegelstijging: die versnelling is niet terug te vinden in de Nederlandse metingen, en is ook niet af te leiden uit peilingen in de rest van de wereld.
    Verder liet het IPCC in het SREX rapport weten dat niet gesteld kan worden dat ‘extreem weer’ (bijvoorbeeld orkanen en droogtes) toeneemt. Op basis van elementaire fysica kan zelfs beredeneerd worden dat de drijvende kracht achter fenomenen als orkanen afneemt (het temperatuurverschil tussen polen en tropen).
    Tot slot zijn de IPCC-SREX uitspraken over toenemen van hittegolven uiterst genuanceerd: “… there is medium confidence that the length or number of warm spells or heat waves has increased”.
  5. uitstoot… Dit punt betreft een conclusie die vooralsnog niet aan de orde is zolang het wetenschappelijk debat over de hoofdzaken nog onbeslist is. Overigens zijn het voorkomen van methaan in de atmosfeer en de effecten daarvan op klimaat evenmin volledig begrepen als die van CO2.
  1. tot 2º beperken… Deze aannames vloeien voort uit de projecties van klimaatmodellen, waarvan aangetoond is dat de voorspellende waarde laag is.
    Wanneer niet de klimaatmodellen van het IPCC maar de waarnemingen uit de IPCC rapporten als uitgangspunt genomen worden, blijkt de opwarming zelfs nog onder de 2 graden te blijven als er pas vanaf 2080 CO2 gereduceerd gaat worden (Lewis & Curry). De door de TU gesuggereerde urgentie van de CO2 reductie heeft geen wetenschappelijke basis.
  2. klimaatmodellenlevensstandaard… Ieder model waarvan geclaimd wordt dat het van nut is, dient gevalideerd te zijn conform de ingenieursmethode. Een model dat onvoldoende overeenkomt met de waarnemingen kan dan ook niet als geldig beschouwd worden. Een dergelijke audit omvat fouten-propagatie-analyse en uitgebreide validatie ten aanzien van de uitkomsten op globaal en lokaal niveau, voor temperaturen in de hydrosfeer en in diverse lagen van de atmosfeer, wolkenbedekking en precipitatie.
    Vanaf het IPCC AR5 rapport zijn de projecties van de klimaatmodellen niet meer in lijn met de observaties. Van betrouwbare gekoppelde modellen en scenario’s kan tot het moment van validatie geen sprake zijn.
    Daarentegen dient het positieve effect van goedkope energie  op de levensstandaard erkend en gekwantificeerd te worden. Zodat duidelijk wordt wat de desastreuze invloed op de wereldeconomie zal zijn van onbezonnen beleid dat leidt tot hogere energieprijzen.
  3. reproduceren… Dit is onjuist: de huidige klimaatmodellen zijn niet in staat om het klimaat uit het verleden te reproduceren. Ze hebben ook dusdanig veel parameters dat er geen sprake is van unieke oplossingen. Bovendien is een beroep op compleetheid ten aanzien van de fysische mechanismes en factoren in deze modellen op zijn zachtst gezegd misleidend: ze zijn niet op exact berekende fysische processen in de atmosfeer gebaseerd, maar op benadering daarvan met behulp van subjectieve parametrisaties.
  4. Parijs… Uit berekeningen van het PBL volgt dat alle beloofde CO2 reducties van het Parijs akkoord bij elkaar ca 35Gton aan CO2 reductie opleveren. Uit de carbon budget methode van het IPCC volgt dat voor de 2 graden doelstelling echter een reductie van 2000 tot 4000 Gton CO2 nodig is t.o.v. van het huidige beleid (van voor Parijs). De opmerking dat Parijs wel eens ontoereikend zou kunnen zijn is zeer misleidend: Parijs doet niet 1% van wat het IPCC noodzakelijk acht voor de 2 graden doelstelling.
    Dat leidt dus tot een veel sterkere conclusie van punt 4: tenzij een honderd maal grotere wereldwijde reductie dan die is voorgenomen in Parijs financieel, technisch en maatschappelijk aantoonbaar haalbaar is, moet de aandacht en de besteding van middelen verplaatst worden van mitigatie naar adaptatie.
    Er zit geen logica achter de conclusie dat beide noodzakelijk zijn.
    Dat de mensheid er goed aan doet om zich voor te voorbereiden op “wereldwijde aanpassing aan de effecten van de klimaatverandering” is even evident als triviaal. De moderne mens is er met name in geslaagd zich te wapenen tegen ongunstige klimaten door beheersing en benutten van praktisch bruikbare en betaalbare energie.
  5. De argumentering voor negatieve emissies is afhankelijk van de uitkomst van het wetenschappelijk debat over de effecten van CO2, derhalve geldt hetzelfde als voor punt 1-5.
    De bepleite verwijdering van broeikasgassen uit de atmosfeer  kost bovendien zeer veel geld en energie en is totdat het tegendeel is bewezen, nutteloos en eigenlijk zelfs ongewenst vanwege de bewezen positieve effecten van CO2 op organisch leven en onze voedselproductie.
  6. De opmerkingen over de ‘veiligheidsklep’ tonen dat er bij de opstellers van deze argumentatie gebrekkige  klimaatkennis aanwezig is: er bestaat niet één aanleiding om te veronderstellen dat het klimaat instabiel zou kunnen worden.
  • De absolute noodzaak om te mitigeren is in het voorgaande niet overtuigend onderbouwd en kan dus ook niet als conclusie gelden. Als er iets uit het voorgaande blijkt, dan is het wel dat de keuze voor adaptatie de enige no-regret aanpak is.
  • Wij van de GRK concluderen dan ook dat de “leefbaarheid van de planeet” zoals altijd bepaald wordt door menselijk vernuft en aanpassingsvermogen, bekrachtigd door de beschikbaarheid van aanzienlijke hoeveelheden adequate energie. De bewoording ‘duurzaam’ is dan ook misleidend zodra deze wordt losgekoppeld van een rationele discussie omtrent de gewenste inhoud en snelheid van een toekomstige energietransitie.
  • Hier wordt de energietransitie als premisse gehanteerd, terwijl in het voorgaande juist  duidelijk geworden is dat het Parijs beleid, dat op gebied van kosten en draagvlak waarschijnlijk al meer vergt dan haalbaar zal blijken te zijn, maar 1% van de reductie oplevert die volgens het IPCC voor 2 graden nodig is. Hieruit volgt dat het streven om in 30 jaar het gebruik van fossiele brandstoffen uit te bannen een utopie is, en dat het voortzetten van het beleid in die richting alleen maar negatieve gevolgen heeft voor de samenleving. In de academische benadering is geen plaats voor een dogmatische opstelling maar dient een pragmatische kosten/baten analyse bepalend te zijn voor de besluitvorming.
  • Bezorgdheid over de consequenties van het “klimaatbeleid” is zeer legitiem. Onze welvaart en welzijn zijn op dit moment zeer afhankelijk van goedkope en vrij beschikbare energie. De voorgenomen overhaaste nationale energietransitie in 30 jaar zal gegarandeerd zeer grote gevolgen hebben voor productiviteit, welvaart en welzijn in Nederland; de wereld doet er goed aan dit voorbeeld niet te volgen.

Gevolgen voor het “Klimaat actieplan” TU Delft

De bovenstaande punten betreffen reeds in het eerste deel het fundament van de vraag. Indien NIET “overtuigend is aangetoond” dat het temperatuurverloop ongewoon is en door de door de mens geproduceerde broeikasgassen wordt veroorzaakt, dan resteert er slechts een hypothese van willekeurige aard. Dan is het koppelen van “klimaat” aan een actieplan slechts relevant en gerechtvaardigd voorzover het klimaatgerelateerde dreiging voor de mens betreft in de klassieke zin. Daarmee is echt niets nieuws onder de zon.

Het 1%-99% argument in de analyse van punt 2-4 is wellicht het meest pregnante argument dat adaptatie aan welk klimaatfenomeen dan ook de prioriteit verdient boven mitigatie.

Na het opwerpen van deze gepubliceerde argumenten bouwt de universiteit op deze fundatie voort met de formulering van een viertal onderzoeksvragen en daarna nog een bespreking van een zevental aandachtsgebieden. Deze worden later op een aparte pagina gepresenteerd om de discussie overzichtelijk te houden. Wel volgt hier een opsomming:

Onderzoeksvragen TU Delft:

  1. Hoe sterk is de klimaatgevoeligheid?
  2. Hoe zal het klimaat de bewoonbaarheid gaan beïnvloeden?
  3. Waar blijft de koolstof?
  4. In hoeverre kunnen extreme gebeurtenissen worden toegeschreven aan klimaatverandering en hoe zullen ze zich in de toekomst ontwikkelen?

Aandachtsgebieden TU Delft:

  1. Wat zijn de mogelijkheden voor mitigatie?
  2. Energietechnologie.
  3. Reductie van de primaire vraag, hergebruik en efficiency.
  4. Afvang, conversie en opslag van koolstof.
  5. Mobiliteit.
  6. Wat zijn de uitdagingen voor klimaatadaptie?
  7. Wat kan geo-engineering bijdragen?

En wat nu?

We nodigen u uit om hier uw commentaren te geven op het Klimaat actieplan TU Delft, bij voorkeur specifiek gericht op genoemde punten. Dat kan zowel positief kritisch commentaar zijn als negatief kritisch commentaar. Immers, we willen graag dat de casus vóór “klimaat-actie” zo sterk mogelijk wordt geformuleerd. Gebruikt u hiervoor graag de conventie #-# voor de argumentatienummering, aangezien op ieder tabblad de nummering begint bij #1. Bij voorbaat dank voor uw bijdrage!


Verantwoording: het analyse-panel van De Groene Rekenkamer voor dit artikel bestond uit de volgende alumni van de TU Delft:

ir. Cyril Wentzel, ir. Theo Wolters en ir. Evert Jesse.

Eindverantwoording: Cyril Wentzel