Hout als brandstof?

                            dan veel bomen planten

Er is een energieakkoord, waarover De Groene opmerkte: ‘Iedereen is ontevreden, dus het is een goed akkoord’. Kern van het akkoord is dat er in 2023 veel meer duurzame energie tegen betaalbare prijzen moet worden geleverd. Het is onduidelijk of dat haalbaar is. Windmolens, zonnepanelen en biomassa zullen voor minder CO2 uitstoot moeten zorgen.

Aan biomassa uit de agrarische sector kleeft het bezwaar dat in de praktijk niet alleen  restproducten voor energie opwekking worden gebruikt, maar ook een deel van het primaire gewas. Voedselzekerheid staat ter discussie.

Biomassa uit het bos (energiehout) kent min of meer hetzelfde bezwaar (er verdwijnt hout in de kachel waarvoor nog een duurzame bestemming bestaat). Gezien de schaarste aan hout en daarmee samenhangende druk op bos, wordt in het energieakkoord een vage randvoorwaarde voor behoud van ‘biodiversiteit’ geformuleerd.

Gastbijdrage van Leffert Oldenkamp, Onafhankelijk adviesbureau voor Bosbeheer, Wageningen

In dit artikel wordt over hout als energiedrager gesproken. In het akkoord is opgenomen dat in 2020 in kolencentrales maximaal twee maal zo veel biomassa mag worden bijgestookt als in 2012.

Er bestaan veel meer toepassingen van energiehout dan die in kolencentrales. Het akkoord roept daarom de volgende vragen op:

  • Draagt het stoken van hout bij aan verbetering van de CO2 balans?
  • Zijn bestaande bossen, qua omvang en samenstelling, wel geschikt voor verhoging van CO2 vastlegging?
  • Is er wel voldoende oogstbaar hout voor de vele gebruiken van hout, inclusief brandhout?

De bostoestand buiten Nederland is van belang omdat het beleid van de EU identiek is aan het Nederlandse beleid en de energie- en houtmarkt mondiaal worden beheerst.

Hout als energiedrager

Bomen ( planten) leggen via fotosynthese zonne-energie vast in chemische energie. Onze fossiele voorraden brandstof zijn ontstaan door ophoping van biomassa (oud fossiel). Wanneer plantmateriaal (hout) wordt verbrand, kan de vrij gekomen CO2 weer worden opgenomen via bladgroen en op kortere of langere termijn worden opgeslagen (jong fossiel). Daarmee zou dan in de toekomst een minder ongunstige CO2 balans kunnen worden bereikt dan bij acute verbranding van fossiele brandstoffen. Bij deze onderbouwing in het energieakkoord zijn enkele kanttekeningen te plaatsen:

  • Bossen zijn complexe en dynamische systemen. Een groot deel van de biomassa (kruiden, bladeren, organisch materiaal op en in de bodem) heeft een relatief korte, natuurlijke omloop (vastlegging en afbraak) en verbruikt de opgeslagen energie continu. Daarbij wordt telkens nieuw organisch materiaal kortstondig gevormd. Per saldo kan op lange termijn het organische stof gehalte van de bodem ( CO2 vastlegging) enigszins verhoogd worden.
  • Via hout is opslag van CO2 over langere perioden mogelijk. Elk jaar komt er wat bij. De opslag is afhankelijk van de boomsoort en de bijbehorende wetmatigheden in groei en van de kwaliteiten ( vocht, voeding) van de groeiplaats. Zo zijn er bomen die over langere periode jaarlijks een hoge aanwas per ha te zien geven, maar ook die in korte tijd maar weinig hout vormen.
  • Natuurlijke processen in een bos-ecosysteem ( bv. branden, stormen, erosie, aantastingen etc.) zorgen geregeld voor afname van voorraden CO2 in biomassa.
  • CO2 uit verbrand hout komt in een met CO2 verzadigde atmosfeer.Uit onderzoek is nog niet gebleken dat extra CO2 geheel in plantmateriaal zal gaan zitten. Los daarvan zijn er vegetaties, die nauwelijks extra CO2 voor de langere termijn kunnen vastleggen zoals:

(a)    Oude bossystemen ( reservaten) die al ‘verzadigd’ zijn en waar extra CO2 per saldo niet leidt tot meer houtvolume. Dood en rottend hout zorgt voor afbraak en dus komt zelfs extra CO2 vrij. Er zijn open plekken zonder bomen en dus zonder potenties voor opslag van CO2.

(b)   Terreinen met korte vegetaties zonder bomen. Hier bestaat geen mogelijkheid om CO2 (in hout) op te slaan.

Er valt dus veel af te dingen op de aanname uit het energieakkoord dat de bij verbranding van hout vrijgekomen CO2 in extra biomassa kan worden opgeslagen.  Dit is uitsluitend mogelijk wanneer er bossen zijn met een samenstelling van bomen waarmee continu optimale houtaanwas wordt gerealiseerd. Opslag wordt dan substantieel ver na de afloop van het (volgende) regeerakkoord.

De praktijk

In de praktijk heeft hout altijd al een belangrijke rol gespeeld als brandhout. Bossen werden zelfs leeggeroofd voor dat doel. Ook voor industriële toepassingen ( ijzerwinning, glas, houtskool, etc). Dat speelt in tropische landen nog steeds (veel CO2 komt daarbij vrij).

Los van het huidige energieakkoord zijn in Europa, ook in Nederland, ontwikkelingen gaande waarbij in toenemende mate houtstromen voor diverse energetische toepassingen nodig zijn. Omdat (ten onrechte) werd verondersteld dat verbranden van hout gunstig is voor de CO2 balans, werden en worden subsidies verstrekt voor moderne installaties. In Nederland  is daardoor de vraag naar brandhout groeiende. Voor veel gesubsidieerde installaties werd in haalbaarheidsstudies uitgegaan van uiterst lage prijzen voor resthout (brandhout). Het materiaal kon tegen transportkosten worden opgehaald. Beheerkosten werden toen nog door subsidie gedekt, nu al veel minder. De prijs van brandhout gaat omhoog, mede vanwege te verwachten schaarste. Moderne installaties zijn dan minder voordelig dan aanvankelijk leek.

Betekenis van hout en ‘duurzaam bosbeheer’

Hout heeft grote betekenis voor allerlei gebruiksdoeleinden, waaronder voor energie en in toenemende mate voor de petrochemische industrie. Bossen leveren bovendien onmisbare functies voor waterbeheer, flora en fauna.

Grote hoeveelheden hout worden van ver gehaald. Daarbij wordt aan de beheerder meestal nauwelijks meer vergoed dan de exploitatiekosten. De kosten voor instandhouding van het bos komen ten laste van de gemeenschap of worden niet vergoed, waarbij op grote schaal omvorming van bossen naar andere gewassen kan gebeuren. Ook de herbebossing laat te wensen over. Per saldo neemt jaarlijks het wereld bosareaal nog sterk af. Er zijn in de tropen en subtropen grote oppervlakten met gedegradeerde bossen waar nauwelijks nog hout te oogsten valt.

Doordat we tot nu uit de gemengde tropische bossen vooral de voor ons best bruikbare houtsoorten hebben geoogst, is de samenstelling van het overgebleven bos minder gunstig voor toekomstige houtoogst. Minder en slechter bos zorgen dan logischerwijs voor minder CO2 opslag.

Deze verwaarlozing van het groeipotentieel van bossen speelt ook in Nederland en eigenlijk in geheel Europa. Allereerst door overdreven te mikken op spontane ontwikkelingen in het bos en om van 1 tot 5 % van de gehele voorraad als dood hout in het bos achter te laten. Daardoor wordt het aandeel minder hard groeiende boomsoorten groter. Het dode hout zal door afbraak voor extra CO2 in de atmosfeer zorgen. Daarnaast  komen op grote schaal (gesubsidieerde) omvormingen tot stand waarbij bossen worden gerooid of geveld, van goed groeiende exoten ontdaan en/of door begrazing van de noodzakelijke bosverjonging beroofd. Dit alles onder het mom van bevordering van biodiversiteit.

De voorziening met brandhout is een afgeleide van de reguliere houtoogst. Resthout is immers de grondstof voor chips, pellets en houtblokken. Als de reguliere houtoogst afneemt, is ook de beschikbaarheid van resthout minder.

De bestaande systemen voor certificering van duurzaam bosbeheer helpen weinig om dit proces te stoppen.

Duurzaam bosbeheer moet op de vervulling van functies in de toekomst zijn gericht  en niet op bos- en vegetatiebeelden uit het verleden. De hiervoor beschreven ontwikkelingen betekenen dat de huidige generatie te veel teert op de inspanningen van vorige generaties zonder voor voldoende keuze mogelijkheden te zorgen voor een volgende generatie.

Ongewenste ontwikkelingen door het energieakkoord

Op dit moment importeren enkele EU landen, waaronder Nederland, gigantische stromen houtpellets en chips uit het Zuid Oosten van de US, Canada (vooral BC) en Rusland.

Energiecentrales in Europa gebruiken bij de vervanging van fossiele brandstoffen weliswaar allereerst afvalproducten uit de omgeving van de centrales, zoals resthout, afvalhout en zaagsel. Ze hebben echter voor het halen van de bijstookdoelen veel meer nodig. Dat is niet uit  Europese bossen beschikbaar. Centrales in Denemarken, Nederland, Duitsland, België en UK hebben in 2020 gezamenlijk een additionele import van pellets nodig van omstreeks 40 miljoen ton (ruim 100 miljoen m3 hout, op jaarbasis). Daarvoor zijn gemechaniseerde systemen ontwikkeld. De boseigenaar ontvangt tussen 20 en 30 euro per ton aan de fabriek, waar de pellets worden gemaakt en gedroogd. In de haven van Rotterdam worden pellets voor 130 euro per ton afgeleverd. Het aandeel in de kosten, dat de energiemaatschappij niet in de energieprijs kan verrekenen, wordt met subsidies gedekt. Dat betekent veel geld van de belastingbetaler, dat niet in de energierekening is terug te vinden.

In hoeverre de pellets uit al dan niet duurzaam beheerde bossen komen, laat ik nu buiten beschouwing. (In de landen van herkomst hoort men protesten.) Wel vallen enkele ongezonde zaken te constateren:

(a)    enorme transportafstanden voor in beginsel laagwaardig hout,

(b)   veel energie nodig voor oogst, transport, bewerken en drogen van de pellets,

(c)    blijvend hoge subsidiestromen (voor de energiemaatschappijen),

(d)   meerjaren contracten zijn afgesloten, bezinning is dus moeilijk,

(e)    hoge kosten noodzakelijk om bestaande centrales geschikt te maken voor houtstook.

Gevoegd bij de zwakke onderbouwing van de CO2 compensatie, vallen deze zaken niet te verdedigen.

Verstandig beleid voor hout als energiebron

Ontegenzeggelijk verdient hout in Nederland een plek in onze haarden, kachels en andere warmte- en elektrische systemen. Alleen, de vraag naar (brand)hout stijgt en houtproductie werd decennialang verwaarloosd.

Brandhout blijft in beginsel een afgeleide van houtoogst of van beheermaatregelen die houtgroei bevorderen. Tophout, licht dunningshout en takhout – ook uit landschappelijke beplantingen en hakhout –  zijn geschikt. Dunnere takken met bast, naalden en blad zijn van belang voor de organische stof en mineralen opbouw in de bodem. Vooral op droge of arme groeiplaatsen kunnen die beter niet worden afgevoerd.

Als de huidige ontwikkeling doorzet, is de voorziening met hout – en dus ook brandhout – niet toereikend. Bovendien zullen landen die sterk in ontwikkeling zijn (waaronder China en India) veel van het hout gaan gebruiken dat wij nu nog kunnen importeren. Onze behoefte aan hout van eigen bodem zal dus toenemen. Het volgende staat ons te doen:

  • Ons bosareaal herstellen en van een deel van gerealiseerde omvormingen weer bos maken.
  • Bosbeheer op meer productieve boomsoorten richten.
  • Bosuitbreiding realiseren. Een deel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is daarvoor geschikt, vooral die terreinen die met pitrussen en ander ongewenst gewas begroeid raken.

Op korte termijn zal daarmee de groeiende vraag naar brandhout, chips en pellets niet worden gedekt. Daartoe zijn aanvullende maatregelen nodig:

  • Energieplantages ( dicht plantverband met korte omlopen) aanleggen met diverse boomsoorten op braakliggende terreinen, EHS terreinen , langs wegen etc.
  • Geen resthout meer leveren voor energiecentrales omdat de daarmee beoogde doelen niet realistisch zijn.
  • Bosbegrazing stoppen, waardoor een deel van de opslag met bomen en struiken beschikbaar komt ( energie chips).
  • Maximaal 1% van de houtvoorraad als dood hout in het bos achterlaten.

Deze aanbevelingen zijn een logisch gevolg van ontwikkelingen op de energie- en houtmarkt.

Vooralsnog zal dit een ommekeer in denken nodig maken en dus weerstand oproepen. Ook onder bosbouwers, die weliswaar kunnen aantonen dat bij goed bosbeheer – waar het nu aan ontbreekt – veel CO2 kan worden opgeslagen, maar met verbranding van hout komt de oplossing voor een klimaatregeling niet dichterbij.

Dit artikel van Leffert Oldenkamp verscheen ook in VORK van februari 2014