Open brief aan Agnes Kant, directeur van bijwerkingencentrum Lareb

De stichting Lareb is in ons land de centrale instantie voor het melden van bijwerkingen van vaccins. Volgens de organisatie zijn er sinds het begin van de  vaccinatiecampagne voor Covid 19 ruim 150.000 meldingen gedaan van al dan niet fatale bijwerkingen. De stichting BPOC betwist deze telling en is met een eigen berekening gekomen op basis van meldingen van het publiek, dit staat los van het hiernavolgende. De stichting Groene Rekenkamer concludeert in een eigen analyse van de Lareb cijfers dat 88.000 bijwerkingen niet terug zijn te vinden. Dit betreft 36% van het totaal. De Groene Rekenkamer heeft om ophelding gevraagd.

Geachte mevrouw Kant,

Ik schrijf u omdat wij constateren dat Lareb onvolledig blijkt te zijn met het rapporteren van meldingen van bijwerkingen ten gevolge van vaccinatie tegen corona – we spreken hier over circa 36% van het totale aantal, dat ontbreekt.

De experimentele vaccins tegen CoVid-19 staan in de belangstelling tegen de achtergrond van de vragen omtrent effectiviteit, veiligheid en noodzaak. Het werk van Lareb is bij uitstek van belang voor objectieve vaststelling van het aantal meldingen van bijwerkingen, want de omvang hiervan bepaalt de balans, zeker waar overheden streven naar massa-vaccinatie met steeds toenemende dwang. We hebben in de door Lareb verstrekte gegevens tot oktober – voor alle medicatie samen – nu ontdekt dat er op dat moment eigenlijk sprake zou moeten zijn van circa 236.000 meldingen, terwijl er slechts 147.646 zijn gerapporteerd.

[lees verder in de pdf:]

Bekijk hier de brief aan Lareb

Antwoord d.d. 10-11-2021

Geachte heer Wentzel,

Uw veronderstelling dat op basis van onze nummeringssystematiek af te leiden is hoeveel meldingen wij zouden hebben ontvangen is onjuist. De nummers worden namelijk niet alleen gebruikt als er nieuwe meldingen binnen komen, maar ook voor aanvullende informatie bij eerdere meldingen die opgevraagd is om een duidelijker beeld te krijgen van een melding. Omdat deze informatie bij de eerdere melding opgeslagen wordt, worden er dus meer nummers gebruikt dan er meldingen zijn.

Agnes Kant, epidemioloog, directeur

Overwegingen bij het gegeven antwoord:

Wij hebben de aanname over de nummering al bij aanvang getoetst door voorgaande jaren er bij te betrekken. Zodoende konden wij zien dat de aldus bepaalde aantallen zeer goed overeenkwamen met de aantallen meldingen uit de jaarverslagen over 2019 en 2020. Dat, samen met de volgtijdelijkheid (sequentiële nummering) gaf – en geeft – vertrouwen in de methode en de bijbehorende aanname. Daarnaast is er toch echt ook sprake van een ontbrekende categorie van “meldingen door MAH’s” (Marketing Authorisation Holders, dus fabrikanten). We tonen de getallen van de verificatie in deze tabel:

Aantallen meldingen jaar 2019 jaar 2020 jaar 2021 (tot oktober)
benadering uit gereconstrueerde nummering: 40.756 38.920 261.442
uit opgave Lareb (jaarverslag/tussenrapportage) 34.759 32.431 147.646
verschil 5.997 6489 88.597

.

De verificatie is duidelijk: waar de gereconstrueerde nummering normaal slechts 3000 à 4000 afwijkt van het officieel aantal meldingen, bedraagt deze in de loop van 2021 plotseling 88.000. En mevrouw Kant beweert nu dat dit komt door het aantal toegevoegde mededelingen.

We vragen ons derhalve nu af: is de genoemde werkwijze een nieuwe die per 2021 is ingevoerd? Was er door corona nu plotseling een reden om notities bij meldingen te voegen? Een reden die er in voorgaande jaren niet was? Over geen van deze eventueel mogelijke verklaringen wordt in het antwoord gerept, dus nemen wij aan dat die niet als zodanig van toepassing zijn.

En is het überhaupt geloofwaardig wat wordt gesteld? Het loskoppelen van “aanvullende informatie” van een bestaande record in een database is in de informatica een ongebruikelijke constructie. Normaal zal dergelijke informatie worden opgenomen in de hiërarchische opbouw van de datastructuur. En bedenk ook wat een hoeveelheid werk gemoeid is met het behandelen van een 88.000-tal afzonderlijke stukken informatie. Bij – stel – een half uur per eenheid, spreken we over 44.000 uur, ofwel 27 manjaar aan werk. Niet waarschijnlijk voor een periode van maximaal 9 maanden in een organisatie die voor een ongekende opgave staat om tenminste ene vijfvoudige hoeveelheid meldingen te verwerken van wat normaal is.

Het antwoord is dus zeer onbevredigend. Op de belangrijke vraag over waar de meldingen van MAH’s te vinden zijn, wordt niet ingegaan.

De Groene Rekenkamer overweegt daarom om een WOB-verzoek (Wet Openbaar Bestuur) in te dienen naar de relevante documenten en bestanden. We beraden ons op dit moment hierover. Wordt vervolgd.